Abdij Lilbosch - Echt

Cisterciënsermonniken

Bronnen & Inspiratie
 

Cisterciënser bronteksten


Carta Caritatis   
 

Omdat in 1098 het monastieke leven in zijn Benedictijnerabdij in verval was geraakt vetrok Robertus,
vergezeld van 20 andere monniken, naar de wildernis van Citeaux (20 kilometer onder het Franse Dijon).
Hier hoopten ze de Regel van Benedictus in haar oorspronkelijke zuiverheid te kunnen beleven door
onder andere aan Benedictus’ eis tot handenarbeid meer gevolg te gaan geven. Stefanus, de derde abt
van Citeaux, was het die aan de opkomende Orde een eigen organisatie schonk door het opstellen van
de ‘Carta Caritatis et Unanimitatis’, het ‘Charter van Liefde en Eensgezindheid’, een soort grondwet.
Deze wetgeving voorzag mede in een gelukkig evenwicht tussen centraal bestuur en lokale autonomie.

Minder dan een halve eeuw later telde de Cistersiënserorde al 350 abdijen!
Het was dan ook goed dat Stefanus – al vóór 1119 – voor een hechte
structuur had gezorgd. In deze beknopte wetgeving kwamen vragen aan
de orde als: hoe verhouden zich de abdijen tot de plaatselijke kerkelijke
overheid, dat is: de bisschop? Ook kwam aan de orde hoe er eenheid en
gezag, dat is: een abt, kunnen zijn in een abdij. Vooral zorgde de Carta
Caritatis er voor dat de onderlinge band tussen de verschillende kloosters
bewaard zou blijven. 

Vastgelegd werd dat de abt van het (stichtende) moederhuis ieder jaar de 
dochterabdij moest bezoeken, voor wat we nu nog de ‘reguliere visitatie’ noemen. Bepaald werd ook
dat ieder jaar een ‘generaal kapittel’ moest plaatsvinden, zodat alle vergaderde abten over het geestelijk
leven van de Orde konden waken. Ook werd opgeroepen tot wederzijdse hulp in geval van materiële
nood en bij rampspoed.                    

Link naar de Carta Caritatis

 

Exordium   
 

Robertus werd in Citeaux opgevolgd door Albericus. Die laatste abt verkreeg in 1100 de pauselijke
goedkeuring voor de pas opgerichte Cisterciënserorde. Nu dan de broeders van het ‘Nieuwe Klooster’
officieel waren afgescheiden van hun Benedictijner broeders lijkt er van enige rivaliteit ten opzichte van
elkaar wel sprake te zijn. Als onder Albericus het zwarte benedictijnenhabijt ingeruild wordt voor het wit
van de Cisterciënsers, (met zwart scapulier) krijgen ze van een benedictijner abt het verwijt dat ze
‘hoogmoedig’ zijn in die keuze. Ze reageerden daarop door te stellen dat het leven van een monnik
het leven van een engel nabijkomt en dat de monnik daarom ook het kleed van een engel dient te
dragen, namelijk een wit habijt.    

Het ‘Exordium’ bevat een verslag van de beginjaren en de idealen van de cisterciënser hervorming. Naast de lotgevallen van Robertus en ook de correspondentie met kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zijn er onder meer de bepalingen inzake het monastieke leven zelf: de omgang met kleding en voedsel wordt teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Ook op de soberheid in de kerkelijke eredienst wordt geïnsisteerd. ‘Arm met de arme Christus’ was het leidend beginsel. De levenswijze zou voortaan te omschrijven  moeten zijn met trefwoorden als: eenvoud, eenzaamheid, armoede en arbeid.
 

“In het jaar 1098 verliet Robertus, samen met de broeders wier hart door God geraakt werd, zijn klooster. Zoals hun gelukzalige vader Benedictus gaven zij er  
de voorkeur aan zich te vermoeien in de dienst van God liever dan een
gemakkelijk leventje te leiden. (…) De dichte bossen en doornen van Citeaux 
maakten haar moeilijk toegankelijk, alleen de wilde beesten woonden er.” (Exordium Magnum, 1.1.c.13)    

   Link naar Exordium.