Abdij Lilbosch - Echt

Cisterciënsermonniken

Monnik worden
 

Roeping
 

Roeping is een groot woord. Toch moet je het soms wagen grote woorden te gebruiken.

Je verlangt God toe te behoren, Jezus Christus van meer nabij te volgen. Je verlangt ernaar, dat te
doen in de monastieke levensvorm. Dat verlangen kan langzaam gegroeid zijn, of door een plotse
ommekeer of een ingrijpende ervaring opeens opgekomen zijn. Maar nu is het een allesbepalend
gróót verlangen, eigenlijk te groot om het zelf te kunnen bewerken, te anders om het zelf te kunnen
bedenken. Het komt veelmeer van buiten jezelf of van dieper dan jezelf. Het trekt onweerstaanbaar
aan je hart, doet een beroep op je instemming. Dat beroep is zo diep, dat de instemming alleen maar
alomvattend kan zijn. Je vermoedt, je gelooft, je wéét: dat diepe beroep op je heeft de trekken van de
Heer zelf, is als Zijn stem tot jou. Kortom: roeping. Bij de één glashelder, bij een ander al worstelend.
Voor sommigen meteen verwoordbaar, voor anderen haast onverwoordbaar. Maar hoe onderscheiden
ook, de kern is hetzelfde: roeping, de Heer roept.

Een monastieke roeping, dat is: een roeping tot de monastieke
levensvorm, 
is altijd heel concreet. Of wordt al snel heel concreet. In
de benedictijner en cisterciënser traditie betreft een monastieke
roeping mede een bepaalde monastieke gemeenschap. Déze
gemeenschap, en niet die; déze abdij en niet die. Die concreetheid
geeft aan de roepstem van de Heer iets dierbaars en teders, maar
tegelijk ook iets weerbarstigs.

Roeping is heel persoonlijk, maar niet privaat. Ze vraagt behalve inbedding 
in een concrete gemeenschap ook toetsing door die gemeenschap. Ze
bloeit in zelfgave aan de Heer mede door zelfgave aan de gemeenschap. Roeping is: in dienst genomen
worden en je in dienst laten nemen - opdat de Heer zou leven en werken in jou, opdat Zijn Geest zou
bidden in jou.